
Ik zit in de trein in een vierzits voor mij alleen. Aan de andere kant van het pad zitten een man en een vrouw tegenover elkaar. De man vertelt met passie over eten. Over de kracht van ingrediënten en over de tijd nemen voor het koken en het opeten.
Ik ben op bezoek geweest bij een vriendin. In mijn tas zitten injera’s, een soort broden die er uitzien als pannenkoeken maar een hele andere smaak hebben. Een Eritrees recept, handgemaakt door mijn vriendin. Ik krijg ze altijd mee als ik op bezoek ben geweest.
Mijn ogen glijden naar mijn tas. Ik kan de man een injera aanbieden. Dat zal hij vast leuk vinden. Ja, waarom ook niet? Hoewel…ik kijk op de klok. Nog twintig minuten tot mijn halte. Ik heb geen zin om twintig minuten lang te praten. Of negentien minuten ongemakkelijk te zwijgen na 1 minuut praten.
Ik besluit te wachten en doe mijn oortjes in. Afgesloten van hun gesprek begin ik me af te vragen of de man al eens injera heeft gegeten. In dat geval zal hij mijn aanbod waarschijnlijk afslaan. En een beetje raar vinden. Sowieso is het misschien een beetje raar om een vreemdeling in de trein onbekend eten aan te bieden. Hoe zou ik het vinden als iemand dat bij mij zou doen? Zou ik het aannemen? Zou ik het opeten?
Ik doe mijn oortjes weer uit. Hun gesprek is gestokt maar nog niet volledig gestopt. Ze hebben het over de zon en de aarde. De minuten tellen af. Als ik nog langer wacht en hij de injera wél wil, dan wordt het een gehaaste en chaotische overdracht.
‘Meneer?’
Hij blijft zijn overbuurvrouw aankijken. Ik ben bang dat ik hem opnieuw zal moeten aanspreken of opgeven, maar gelukkig draait hij alsnog zijn hoofd en kijkt mij aan. Ik vraag hem of hij ooit Eritrees of Ethiopisch heeft gegeten. Hij zegt van niet en ik begin enthousiast te vertellen over het eten in mijn tas. Hij wil wel een stukje proeven en accepteert uiteindelijk een hele injera om thuis op te eten en aan zijn vrouw te laten proeven. We praatten nog wat na terwijl de trein het station binnenrijdt en de opgevouwen injera in zijn boterhamtrommel zit.
Eenmaal thuis denk ik nog lang aan dat moment met een grote glimlach op mijn gezicht. Enerzijds omdat ik iets vriendelijks heb gedaan, en anderzijds om wat hij mij heeft gegeven.
Ik was de laatste tijd namelijk veel blootgesteld aan momenten waarin mensen elkaar wantrouwen en denken dat de ander altijd een bijbedoeling heeft vanuit eigenbelang. Of misschien heb ik gewoon te veel detectives gekeken waarin het motto was: vertrouw niemand. Wat het ook is geweest, een verwachting van wantrouwen zat in mijn hoofd.
Maar door dit moment herinner ik mij weer:
Er zijn nog genoeg mensen die varen op vertrouwen en uitgaan van goede intentie, inclusief mijn goede intentie. En dat levert mooie momenten op.
Het is geen nieuw idee, maar nu geloof en voel ik het ook weer echt. En dat is het cadeau dat deze man mij, zonder het te weten, heeft gegeven.